20-02-08

openingszinnen... euhmmm, juist ja...

Ok, zonder te willen stoefen eerst een stelling van exact vier woorden, vier, niet meer of niet minder: sociaal ben ik wel. Er zijn enkele getuigen in Blogland die me in't echt kennen. Dat díé spreken. Ik zeg dit op zo'n "aanvallende" manier enkel en alleen om critici -die mij tóch niet kennen of enkel denken dat ze mij wel kennen- een beetje af te schrikken vóór ze de kans krijgen om te zeggen wat ze zouden durven denken. Want ik zou volgens hun wellicht wél opscheppen. En dat gun ik hun niet. Maar neen, ik stoef niet. Of ja ik doe het wel. Maar dan is het alvast niet de bedoeling.

Anyway, ik ben dus sociaal, ik zeg het zelf, nah! En nu komt de mouw uit de aap gekropen (zie je het al voor je??? gebruik die verbéélding mensen, komaan hé!):
Sociaal of niet, nieuwe contacten leggen is niet altijd even vanzelfsprekend. Wat zeg je tegen het prachtig glimlachende meisje dat op de hoek van 't straat staat te wachten tot ze haar komen ophalen? (ik woon aan een station). Verlegen als ik ben (niet echt dus) merk ik ze voor het eerst op bij het verlaten van mijn trouwe viervoe... euh auto. Ik kijk recht in haar diamanten oogjes en ze glimlacht nog mooier. Ik knik eens vriendelijk en steek de straat over langs het zebrapad dat uitmondt aan mijn voordeur (neen dat hebben de mannen van 't stad er niet om gedaan, zó belangrijk ben ik nu ook weer niet), smijt in de meest elegante cowboystijl mijn sleutelbos in de lucht om de sleutel van mijn voordeur sneller te vinden, knal hem in het slot, doe alsof ik iets vergeten ben, en loop weer naar mijn vierwieler op de parking enkele meters achter het onbekende stralende meisje. *pwik*pwik* zegt ie als ik de deuren discreet met de afstandsbediening open en ik open de koffer en de valse bodem ervan en rommel daar wat in rond tussen de startkabels, reservejas en reserve paar schoenen dat ik altijd bijheb on the road. Zodoende sta ik met mijn rug naar haar, dus besluit ik om de valse bodem weer in zijn oorspronkelijke staat te brengen, de koffer dicht te gooien en naar het passagiersportier te stappen. Ik zie dat ze mij in het oog had, en al even snel kijkt ze (verlegen? 't was te donker...) weer weg als ik heel eventjes in haar richting loer. Moi neemt de papieren die op de passagiersstoel liggen (en er in principe ook moesten blijven liggen tot morgenvroeg) en haal ze uit de Japanse blikken doos op wielen, doe hem weer op slot, en ga weer richting voordeur. Ik passeer ze deze keer op twee meter afstand in plaats van drie. Deze keer glimlach ik nog net iets liever terug en trakteer ik ze op een knipoog... En loop verder. De voordeur van ons gebouw staat nog open en ik zoek -o jawel- met opzet extra lang naar de schakelaar van het licht. Ik doe traag maar zeker de deur achter mij dicht en denk damn... Op het verdiep onder mijn stekje kom ik mijn zieke gebuur tegen met zijn woef die hij juist wou uitlaten. We babbelen een tweetal minuten en tegen dat ik op mijn eigen appartementje ben en aan de straatkant naar buiten ga kijken is ze spoorloos verdwenen. Damn bis. Ik open de ramen waar ik zopas doorheen keek en ik hang mij er met mijn romp door, maar tevergeefs... Niks meer te bespeuren. Damn tris. Allicht één van haar ouders of haar vriend of echtgenoot of... -I dunno- iemand die haar intussen heeft gekaapt met zijn stalen ros. En ik blijf heel eventjes verweest achter en vraag mij af wat hier de ideale openingszin was geweest. En uiteraard verwacht ik hier van mijn trouwste en minder trouwe lezers een hypothetisch antwoord op. Ofwel, gewoon, heel eventjes: een kleine, lieve troost ;-)

Slaapwel!